Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 12,80 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 8,50 (6% inclusief btw)
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.
Upadacitinib dient bij de volgende patiënten alleen te worden gebruikt wanneer er voor hen geen geschikte behandelingsalternatieven beschikbaar zijn: patiënten van 65 jaar en ouder; patiënten met een atherosclerotische cardiovasculaire aandoening of andere cardiovasculaire risicofactoren in de medische voorgeschiedenis (zoals patiënten die roken of eerder langdurig hebben gerookt); patiënten met risicofactoren voor maligniteiten (bijv. patiënten met een aanwezige maligniteit of een maligniteit in de medische voorgeschiedenis). Gebruik bij patiënten van 65 jaar en ouder Gezien het verhoogde risico op MACE, maligniteiten, ernstige infecties en overlijden ongeacht de oorzaak bij patiënten van 65 jaar en ouder, wat in een groot gerandomiseerd onderzoek naar tofacitinib (een andere Janus-kinaseremmer (JAK-remmer)) is vastgesteld, dient upadacitinib bij deze patiënten alleen te worden gebruikt wanneer er voor hen geen geschikte behandelingsalternatieven beschikbaar zijn. Bij patiënten van 65 jaar en ouder is er met 30 mg upadacitinib eenmaal daags een verhoogd risico op bijwerkingen. Daarom is de aanbevolen dosering voor langdurig gebruik bij deze patiëntengroep 15 mg eenmaal daags (zie rubriek 4.2 en 4.8). Immunosuppressiva Combinaties met andere krachtige immunosuppressiva, zoals azathioprine, 6-mercaptopurine, ciclosporine, tacrolimus en biologische DMARD's of andere JAK-remmers zijn niet in klinische onderzoeken geëvalueerd en worden niet aanbevolen omdat een risico op versterkte immunosuppressie niet kan worden uitgesloten. Ernstige infecties Er is bij patiënten die upadacitinib kregen melding gemaakt van ernstige en soms dodelijke infecties. De vaakst gemelde ernstige infecties bij upadacitinib waren pneumonie (zie rubriek 4.8) en cellulitis. Er is bij patiënten die upadacitinib kregen melding gemaakt van gevallen van bacteriële meningitis en sepsis. Opportunistische infecties die werden gemeld bij upadacitinib waren tuberculose, multidermatomale herpes zoster, orale/oesofageale candidiasis en cryptokokkose. Upadacitinib mag niet worden ingezet bij patiënten met een actieve, ernstige infectie, met inbegrip van lokale infecties (zie rubriek 4.3). Overweeg de risico's en voordelen van de behandeling voordat u upadacitinib inzet bij patiënten: met een chronische of terugkerende infectie; die zijn blootgesteld aan tuberculose; met een geschiedenis van een ernstige of opportunistische infectie; die in gebieden hebben gewoond of naar gebieden zijn gereisd met endemische tuberculose of endemische mycosen; of met onderliggende aandoeningen die hen predisponeren voor een infectie. Patiënten moeten zorgvuldig gecontroleerd worden op het ontstaan van tekenen en symptomen van infectie tijdens en na de behandeling met upadacitinib. De behandeling met upadacitinib moet worden onderbroken als een patiënt een ernstige of opportunistische infectie krijgt. Een patiënt die tijdens de behandeling met upadacitinib een nieuwe infectie krijgt, moet onmiddellijk worden onderworpen aan een volledig diagnostisch onderzoek dat geschikt is voor een immuungecompromitteerde patiënt; een gepaste antimicrobiële therapie moet worden ingezet, de patiënt moet nauwgezet worden gecontroleerd en de behandeling met upadacitinib moet worden onderbroken als de patiënt niet op de antimicrobiële therapie reageert. De behandeling met upadacitinib mag worden hervat wanneer de infectie onder controle is. Bij 30 mg upadacitinib werd een hoger percentage ernstige infecties gezien dan bij 15 mg upadacitinib. Aangezien er in het algemeen een hogere incidentie van infecties is bij ouderen en patiëntengroepen met diabetes, is er voorzichtigheid geboden bij de behandeling van ouderen en patiënten met diabetes. Bij patiënten van 65 jaar en ouder dient upadacitinib alleen te worden gebruikt als er voor hen geen geschikte behandelingsalternatieven beschikbaar zijn (zie rubriek 4.2). Tuberculose Patiënten moeten op tuberculose (tb) worden gescreend voordat met een behandeling met upadacitinib wordt begonnen. Upadacitinib mag niet worden gegeven aan patiënten met actieve tb (zie rubriek 4.3). Anti-tb-therapie moet worden overwogen voordat upadacitinib wordt ingezet bij patiënten met eerder onbehandelde latente tb of patiënten met risicofactoren voor een tb-infectie. Het wordt aanbevolen een arts met expertise in de behandeling van tb te raadplegen als hulp bij de beslissing of het inzetten van anti-tb-therapie aangewezen is voor een bepaalde patiënt. Patiënten moeten gecontroleerd worden op tekenen en symptomen van tb, inclusief patiënten die voordat de therapie werd ingezet een negatieve test hadden voor een latente tb-infectie. Virale reactivatie In klinische onderzoeken werd melding gemaakt van virale reactivering, inclusief gevallen van reactivering van het herpesvirus (bijv. herpes zoster) (zie rubriek 4.8). Het risico op herpes zoster lijkt hoger te zijn bij Japanse patiënten die werden behandeld met upadacitinib. Als een patiënt herpes zoster krijgt, moet onderbreking van de behandeling met upadacitinib worden overwogen tot de episode is verdwenen. Een screening op virale hepatitis en controle op reactivering moeten worden uitgevoerd voordat de behandeling met upadacitinib wordt gestart en gedurende de behandeling. Patiënten die positief waren voor hepatitis C-antilichamen en RNA van het hepatitis C-virus waren uitgesloten van deelname aan de klinische onderzoeken. Patiënten die positief waren voor hepatitis B-oppervlakteantigeen en DNA van het hepatitis B-virus waren uitgesloten van deelname aan de klinische onderzoeken. Als DNA van het hepatitis B-virus wordt gedetecteerd tijdens het gebruik van upadacitinib, moet een leverspecialist worden geraadpleegd. Vaccinatie Er zijn geen gegevens beschikbaar over de respons op vaccinaties met levende vaccins bij patiënten die upadacitinib krijgen. Het gebruik van levende, verzwakte vaccins tijdens of onmiddellijk vóór de behandeling met upadacitinib wordt niet aanbevolen. Vóór inzetten van een behandeling met upadacitinib wordt aanbevolen dat patiënten voldoende gevaccineerd zijn, inclusief een profylactische vaccinatie tegen herpes zoster, overeenkomstig de huidige vaccinatierichtlijnen (zie rubriek 5.1). Maligniteiten Bij patiënten die met een JAK-remmer (inclusief upadacitinib) zijn behandeld, zijn lymfoom en andere maligniteiten gemeld. In een groot gerandomiseerd, onderzoek met actieve comparator naar tofacitinib (een andere JAK-remmer) bij patiënten met reumatoïde artritis van 50 jaar en ouder met minimaal één bijkomende cardiovasculaire risicofactor, is bij tofacitinib een hoger aantal gevallen van maligniteit, met name longkanker, lymfoom en niet-melanoom huidkanker (NMSC), gezien dan bij tumornecrosefactorremmers (TNF-remmers). Bij 30 mg upadacitinib werd een groter aantal gevallen van maligniteit gezien dan bij 15 mg upadacitinib. Bij patiënten van 65 jaar en ouder, patiënten die roken of eerder langdurig hebben gerookt, of met andere risicofactoren voor maligniteiten (bijv. patiënten met een aanwezige maligniteit of een maligniteit in de medische voorgeschiedenis), dient upadacitinib alleen te worden gebruikt als er voor hen geen geschikte behandelingsalternatieven beschikbaar zijn. Niet-melanoom huidkanker (NMSC) NMSC's zijn gemeld bij patiënten die werden behandeld met upadacitinib (zie rubriek 4.8). Bij 30 mg upadacitinib werd een groter aantal gevallen van NMSC gezien dan bij 15 mg upadacitinib. Periodiek huidonderzoek wordt aanbevolen voor alle patiënten, met name voor patiënten met risicofactoren voor huidkanker. Hematologische afwijkingen Bij ≤1 % van de patiënten in klinische onderzoeken werd melding gemaakt van een absolute neutrofielentelling (ANC) <� 1 x 10^9 cellen/l, absolute lymfocytentelling (ALC) <� 0,5 x 10^9 cellen/l en hemoglobine <� 8 g/dl (zie rubriek 4.8). De behandeling mag niet worden ingezet of moet tijdelijk worden onderbroken bij patiënten met een waargenomen ANC <� 1 x 10^9 cellen/l, ALC <� 0,5 x 10^9 cellen/l of hemoglobine <� 8 g/dl tijdens routinecontroles van de patiënt (zie rubriek 4.2). Gastro‑intestinale perforaties Gevallen van diverticulitis en gastro‑intestinale perforaties zijn gemeld in klinische onderzoeken en tijdens post-marketing observaties (zie rubriek 4.8). Voorzichtigheid is geboden bij gebruik van upadacitinib bij patiënten die mogelijk risico lopen op een gastro‑intestinale perforatie (bijvoorbeeld patiënten met een divertikelaandoening, een voorgeschiedenis van diverticulitis, of patiënten die NSAID's, corticosteroïden of opioïden gebruiken). Patiënten met actieve ziekte van Crohn hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van een darmperforatie. Patiënten die nieuwe buiksymptomen en –klachten vertonen, moeten onmiddellijk worden geëvalueerd, zodat diverticulitis of gastro‑intestinale perforatie in een vroeg stadium kan worden vastgesteld. Ernstige ongewenste cardiovasculaire voorvallen In klinische onderzoeken naar upadacitinib zijn MACE-voorvallen waargenomen. In een groot gerandomiseerd onderzoek met actieve comparator naar tofacitinib (een andere JAK-remmer) bij patiënten met reumatoïde artritis van 50 jaar en ouder met minimaal één bijkomende cardiovasculaire risicofactor, is bij tofacitinib een hoger aantal gevallen van MACE (gedefinieerd als cardiovasculair overlijden, niet-fataal myocardinfarct (MI) en niet-fatale beroerte) opgetreden dan bij TNF-remmers. Bij patiënten van 65 jaar en ouder, patiënten die roken of eerder langdurig hebben gerookt, en bij patiënten met een atherosclerotische cardiovasculaire aandoening of andere cardiovasculaire risicofactoren in de medische voorgeschiedenis dient upadacitinib daarom alleen te worden gebruikt als er voor hen geen geschikte behandelingsalternatieven beschikbaar zijn. Lipiden De behandeling met upadacitinib werd in verband gebracht met een dosisafhankelijke toename in lipideparameters, inclusief totaal cholesterol, low-density lipoproteïne (LDL)-cholesterol en high-density lipoproteïne (HDL)-cholesterol (zie rubriek 4.8). In respons op een behandeling met statinen namen verhoogde LDL-cholesterolwaarden af tot de waarden van vóór de behandeling, hoewel het bewijs hiervoor beperkt is. Het effect van deze verhoogde lipidenparameters op cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit is niet vastgesteld (zie rubriek 4.2 voor richtlijn voor monitoring). Verhoogde levertransaminase De behandeling met upadacitinib werd in verband gebracht met een toegenomen incidentie van verhoogde leverenzymen in vergelijking met placebo (zie rubriek 4.8). Levertransaminasen dienen bij baseline te worden geëvalueerd en daarna bij routinecontroles van de patiënt. Een onmiddellijk onderzoek naar de oorzaak van verhoogde leverenzymen wordt aanbevolen om mogelijke gevallen van door het geneesmiddel geïnduceerde leverschade te kunnen identificeren. Als een toename van ALAT en ASAT wordt waargenomen tijdens routinecontroles van de patiënt en door het geneesmiddel geïnduceerde leverschade wordt vermoed, moet de behandeling met upadacitinib worden onderbroken tot deze diagnose wordt uitgesloten. Veneuze trombo-embolie Er zijn in klinische onderzoeken voor upadacitinib voorvallen van diepe veneuze trombose (DVT) en longembolie (PE, pulmonary embolism) waargenomen. In een groot gerandomiseerd onderzoek met actieve comparator naar tofacitinib (een andere JAK-remmer) bij patiënten met reumatoïde artritis van 50 jaar en ouder met minimaal één bijkomende cardiovasculaire risicofactor, is bij tofacitinib een hoger aantal dosisafhankelijke gevallen van VTE, waaronder DVT en PE, gezien dan bij TNF-remmers. Bij patiënten met risicofactoren voor cardiovasculaire aandoeningen of maligniteiten (zie ook rubriek 4.4 'Ernstige ongewenste cardiovasculaire voorvallen' en 'Maligniteiten') dient upadacitinib alleen te worden gebruikt als er geen geschikte behandelingsalternatieven voor hen beschikbaar zijn. Bij patiënten met andere bekende risicofactoren voor VTE dan de risicofactoren voor cardiovasculaire aandoeningen of maligniteiten, dient upadacitinib met voorzichtigheid te worden gebruikt. Andere risicofactoren voor VTE dan de risicofactoren voor cardiovasculaire aandoeningen of maligniteiten zijn eerdere VTE, patiënten bij wie een grote operatie is uitgevoerd, immobilisatie, gebruik van anticonceptieve hormonale combinatiepreparaten of hormoonsubstitutietherapie en erfelijke stollingsstoornissen. Patiënten dienen van tijd tot tijd opnieuw te worden geëvalueerd op verandering in het risico op VTE. Patiënten met klachten en symptomen van VTE dienen meteen te worden geëvalueerd en bij patiënten bij wie VTE wordt vermoed, dient de behandeling onmiddellijk te worden gestaakt, ongeacht de dosering. Retinale veneuze occlusie Retinale veneuze occlusie is gemeld bij patiënten die werden behandeld met JAK-remmers, waaronder upadacitinib. Patiënten moeten worden geadviseerd om onmiddellijk medische hulp te zoeken als ze symptomen ervaren die wijzen op retinale veneuze occlusie. Overgevoeligheidsreacties Er zijn bij patiënten die met upadacitinib zijn behandeld ernstige overgevoeligheidsreacties zoals anafylaxie en angio-oedeem gemeld. Als er een klinisch significante overgevoeligheidsreactie optreedt, dient de behandeling met upadacitinib te worden gestaakt en moet een geschikte therapie worden gestart (zie rubriek 4.3 en 4.8). Hypoglykemie bij patiënten die worden behandeld voor diabetes Er zijn meldingen geweest van hypoglykemie na aanvang van het gebruik van JAK-remmers, waaronder upadacitinib, bij patiënten die een behandeling voor diabetes krijgen. Het kan nodig zijn om de dosis van de antidiabetica aan te passen als er hypoglykemie optreedt. Medicijnresten in de ontlasting Bij patiënten die upadacitinib gebruikten, zijn meldingen van medicijnresten in de ontlasting of stoma-output gemeld. De meeste meldingen beschreven anatomische (bijv. ileostomie, colostomie, darmresectie) of functionele gastro-intestinale aandoeningen met verkorte gastro-intestinale passagetijden. Patiënten moeten worden geïnstrueerd om contact op te nemen met hun zorgverlener als er herhaaldelijk medicijnresten worden gevonden. Patiënten moeten klinisch worden gemonitord en een alternatieve behandeling moet worden overwogen als er onvoldoende therapeutische respons is. Reuscelarteriitis Monotherapie met upadacitinib mag niet worden gebruikt voor de behandeling van acute recidieven, aangezien de werkzaamheid in deze situatie niet is vastgesteld. Corticosteroïden dienen te worden gegeven volgens medisch oordeel en praktijkrichtlijnen.
RINVOQ bevat de werkzame stof upadacitinib. Het behoort tot een groep geneesmiddelen die januskinaseremmers worden genoemd. Door de activiteit te verlagen van een enzym in het lichaam, met de naam 'januskinase', vermindert RINVOQ ontstekingen bij de volgende ziekten: Reumatoïde artritis Artritis psoriatica Axiale spondyloartritis Niet-radiografische axiale spondyloartritis Spondylitis ankylopoetica (AS, radiografische axiale spondyloartritis) Reuscelarteriitis (giant cell arteritis) Atopische dermatitis (constitutioneel eczeem) Colitis ulcerosa Ziekte van Crohn
Welke stoffen zitten er in dit middel?
De werkzame stof in dit middel is upadacitinib.
RINVOQ 15 mg, tabletten met verlengde afgifte • Elke tablet met verlengde afgifte bevat upadacitinib-hemihydraat, gelijk aan 15 mg upadacitinib. • De andere stoffen in dit middel zijn: o Tabletkern: microkristallijne cellulose, mannitol, wijnsteenzuur, hypromellose, watervrij colloïdaal siliciumdioxide, magnesiumstearaat. o Filmomhulling: poly(vinylalcohol), macrogol, talk, titaniumdioxide (E171), ijzeroxide rood (E172), ijzeroxide zwart (E172).
RINVOQ 30 mg, tabletten met verlengde afgifte • Elke tablet met verlengde afgifte bevat upadacitinib-hemihydraat, gelijk aan 30 mg upadacitinib. • De andere stoffen in dit middel zijn: o Tabletkern: microkristallijne cellulose, mannitol, wijnsteenzuur, hypromellose, watervrij colloïdaal siliciumdioxide, magnesiumstearaat. o Filmomhulling: poly(vinylalcohol), macrogol, talk, titaniumdioxide (E171), ijzeroxide rood (E172).
RINVOQ 45 mg, tabletten met verlengde afgifte • Elke tablet met verlengde afgifte bevat upadacitinib-hemihydraat, gelijk aan 45 mg upadacitinib. • De andere stoffen in dit middel zijn: o Tabletkern: microkristallijne cellulose, mannitol, wijnsteenzuur, hypromellose, watervrij colloïdaal siliciumdioxide, magnesiumstearaat.
Upadacitinib wordt hoofdzakelijk omgezet door CYP3A4. Daarom kan de plasmablootstelling aan upadacitinib worden beïnvloed door geneesmiddelen die CYP3A4 sterk remmen of induceren. De blootstelling aan upadacitinib neemt toe bij gelijktijdige toediening met sterke CYP3A4-remmers (zoals ketoconazol, itraconazol, posaconazol, voriconazol, claritromycine en grapefruit). In een klinisch onderzoek leidde gelijktijdige toediening van upadacitinib met ketoconazol tot een toename van 70% en 75% in respectievelijk de Cmax en AUC van upadacitinib. Een dosering van 15 mg upadacitinib eenmaal daags moet voorzichtig worden gebruikt bij patiënten die chronisch worden behandeld met sterke CYP3A4-remmers. Een dosering van 30 mg upadacitinib eenmaal daags wordt niet aanbevolen voor patiënten met atopische dermatitis die chronisch worden behandeld met sterke CYP3A4‑remmers. Voor patiënten met colitis ulcerosa of de ziekte van Crohn die een sterke CYP3A4-remmer gebruiken, is de aanbevolen inductiedosis 30 mg eenmaal daags en de aanbevolen onderhoudsdosis 15 mg eenmaal daags (zie rubriek 4.2). Bij langdurig gebruik moeten alternatieven voor sterke CYP3A4-remmers worden overwogen. Tijdens behandeling met upadacitinib moet het nuttigen van voedingsmiddelen en dranken die grapefruit bevatten, worden vermeden. De blootstelling aan upadacitinib neemt af bij gelijktijdige toediening met sterke CYP3A4-inductoren (zoals rifampine en fenytoïne), wat kan leiden tot een verminderd therapeutisch effect van upadacitinib. In een klinisch onderzoek leidde gelijktijdige toediening van upadacitinib na meerdere doses rifampicine (sterke CYP3A-inductor) tot een afname van ongeveer 50% en 60% in respectievelijk de Cmax en AUC van upadacitinib. Patiënten moeten worden gecontroleerd op veranderingen in de ziekteactiviteit als upadacitinib wordt toegediend met sterke CYP3A4-inductoren. Methotrexaat en pH-modificerende geneesmiddelen (bijv. antacida of protonpompremmers) hebben geen effect op de plasmablootstelling aan upadacitinib. Toediening van meerdere eenmaal daagse upadacitinibdoses van 30 mg of 45 mg aan gezonde proefpersonen had een beperkt effect op de plasmablootstelling aan midazolam (gevoelig substraat voor CYP3A) (24-26% afname in de AUC en Cmax van midazolam), wat aangeeft dat eenmaal daags 30 mg of 45 mg upadacitinib een zwak inducerend effect heeft op CYP3A. In een klinisch onderzoek nam de AUC van rosuvastatine en atorvastatine af met respectievelijk 33% en 23% en nam de Cmax van rosuvastatine af met 23% na toediening van meerdere eenmaal daagse upadacitinibdoses van 30 mg aan gezonde proefpersonen. Upadacitinib had geen relevant effect op de Cmax van atorvastatine of op de plasmablootstelling aan ortho-hydroxyatorvastatine (belangrijke actieve metaboliet van atorvastatine). De toediening van meerdere eenmaal daagse doses van 45 mg upadacitinib aan gezonde proefpersonen had een beperkte toename in AUC en Cmax van dextromethorfan (gevoelig CYP2D6-substraat) met respectievelijk 30% en 35% tot gevolg, wat aangeeft dat 45 mg upadacitinib eenmaal daags een zwak remmend effect heeft op CYP2D6. Er wordt geen aanpassing van de dosis aanbevolen voor CYP3A-substraten, CYP2D6-substraten, rosuvastatine of atorvastatine bij gelijktijdige toediening met upadacitinib. Upadacitinib heeft geen relevante effecten op de plasmablootstelling van ethinylestradiol, levonorgestrel, methotrexaat of geneesmiddelen die substraten zijn voor omzetting door CYP1A2, CYP2B6, CYP2C9 of CYP2C19.
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
Ernstige bijwerkingen Neem contact op met uw arts of roep onmiddellijk medische hulp in als u tekenen van:
• een infectie krijgt, zoals gordelroos of pijnlijke huiduitslag met blaren (herpes zoster) – vaak (komen voor bij minder dan 1 op de 10 gebruikers);
• longinfectie (longontsteking), die kortademigheid, koorts en hoest met slijm veroorzaakt – vaak (komen voor bij minder dan 1 op de 10 gebruikers);
• infectie in het bloed (sepsis) – soms (komen voor bij maximaal 1 op de 100 gebruikers);
• allergische reactie (beklemd gevoel op de borst, piepende ademhaling, gezwollen lippen, tong of keel, netelroos) – soms (komen voor bij maximaal 1 op de 100 gebruikers).
Andere bijwerkingen Neem contact op met uw arts als u last krijgt van een van de volgende bijwerkingen:
Zeer vaak (komen voor bij meer dan 1 op de 10 gebruikers) • keel- en neusinfecties • puistjes (acne)
Vaak (komen voor bij minder dan 1 op de 10 gebruikers): • niet-melanoom huidkanker • hoest • koorts • koortsuitslag (herpes simplex) • maag van streek (misselijkheid) • toename van een enzym met de naam creatinekinase, aangetoond in bloedonderzoek • laag aantal witte bloedcellen, aangetoond in bloedonderzoek • verhoogd cholesterol (een soort vet in het bloed), aangetoond in bloedonderzoek • verhoogde leverenzymwaarden, aangetoond in bloedonderzoek (teken van leverproblemen) • gewichtstoename • ontsteking (zwelling) van de haarzakjes • griep (influenza) • bloedarmoede • pijn in uw buik • vermoeidheid (ongewoon moe en zwak voelen) • hoofdpijn
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?
• U bent allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6.
• U heeft een ernstige infectie (zoals longontsteking of een bacteriële huidinfectie); • U heeft actieve tuberculose (tbc); • U heeft ernstige leverproblemen; • U bent zwanger (zie de rubriek Zwangerschap, borstvoeding en anticonceptie).
Zwangerschap
RINVOQ mag niet tijdens de zwangerschap worden gebruikt.
Borstvoeding
Als u borstvoeding geeft of van plan bent dit te doen, neem dan contact op met uw arts voordat u dit geneesmiddel gebruikt. U mag RINVOQ niet gebruiken als u borstvoeding geeft omdat het niet bekend is of dit geneesmiddel in de moedermelk terechtkomt. U en uw arts moeten beslissen of u borstvoeding geeft of dat u RINVOQ gebruikt. U mag niet allebei doen.
Anticonceptie
Als u een vrouw bent die kinderen kan krijgen, moet u doeltreffende anticonceptie gebruiken om te voorkomen dat u zwanger wordt tijdens uw gebruik van RINVOQ en gedurende minimaal 4 weken na uw laatste RINVOQ-dosis. Als u tijdens deze periode zwanger wordt, moet u dit onmiddellijk aan uw arts melden.
Informeer de arts indien uw kind voor het eerst menstrueert tijdens het gebruik van RINVOQ.
Hoe neemt u dit middel in?
• Slik de tablet in zijn geheel door met water. U mag de tablet vóór het inslikken niet splitsen, fijnmalen, kauwen of breken omdat hierdoor de hoeveelheid geneesmiddel die in uw lichaam komt, kan veranderen.
• Als geheugensteuntje om RINVOQ in te nemen, neemt u het middel elke dag op dezelfde tijd in.
• De tabletten mogen met of zonder voedsel worden ingenomen.
• Slik het droogmiddel niet in.
• Eet en drink geen voedingsmiddelen of dranken die grapefruit bevatten, zolang u RINVOQ inneemt (of met RINVOQ wordt behandeld). Deze kunnen de kans op bijwerkingen namelijk verhogen doordat ze de hoeveelheid geneesmiddel in uw lichaam verhogen.
Heeft u te veel van dit middel gebruikt?
| CNK | 4404877 |
|---|---|
| Organisaties | Abbvie |
| Merken | Abbvie |
| Breedte | 81 mm |
| Lengte | 98 mm |
| Diepte | 50 mm |
| Actieve ingrediënten | upadacitinib |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |